Digitaliseren is één, maar digitaliseren we niet vooral onze spraakverwarring. Dat vraagt Pim van Meer zich af in deze Digitale Doolhof. “Ik word altijd een beetje zenuwachtig wanneer het eerste antwoord op een organisatievraag een nieuw softwarepakket is.”
Onlangs sprak ik met Bas de Haan, onze Adjunct Directeur Houtbouw, over het industrialiseren van circulaire bouwproducten. Dat klinkt als een gesprek over hout, fabrieken en parametrisch ontwerpen. Maar na een uur kwamen we eigenlijk uit bij een heel andere vraag.
Niet: hoe ontwerpen we sneller?
Maar: hoe zorgen we ervoor dat iedereen hetzelfde bedoelt?
Want als je circulair wilt industrialiseren, heb je keuzes te maken.
Bouw je een eigen platform?
Werk je alleen nog met een vaste groep architecten die jouw producten en werkwijze door en door kennen?
Ontwikkel je nóg een softwarepakket dat alle stappen aan elkaar knoopt?
Of investeer je eerst in één uniforme taal waarmee producenten, architecten, constructeurs en opdrachtgevers elkaar begrijpen?
Mijn eerste reactie is eerlijk. Ik word altijd een beetje zenuwachtig wanneer het eerste antwoord op een organisatievraag een nieuw softwarepakket is. Software is namelijk fantastisch. Totdat je ontdekt dat je vooral bezig bent iedereen hetzelfde programma te laten gebruiken, terwijl niemand hetzelfde verstaat onder een wand, een aansluiting of een circulaire prestatie. Dan digitaliseren we vooral onze spraakverwarring.
Bas schetste een mooie ambitie. Ontwerpen zoals je een auto configureert. Niet iedere keer opnieuw vanaf een leeg vel, maar vanuit bewezen producten, ontwerpregels en duidelijke bandbreedtes. Veel vrijheid, maar niet de vrijheid om telkens opnieuw het wiel uit te vinden.
Dat spreekt mij enorm aan. Maar tijdens ons gesprek bleef één gedachte terugkomen.
De grootste uitdaging is waarschijnlijk niet het configureren van producten. De grootste uitdaging is het configureren van samenwerking.
Want stel dat een architect een ander ontwerppakket gebruikt.
Een constructeur met andere software werkt.
Een producent een nieuw product toevoegt.
En een opdrachtgever aanvullende duurzaamheidsambities heeft.
Werkt het systeem dan nog steeds? Of werkt het alleen zolang iedereen precies hetzelfde platform gebruikt?
Daar zit volgens mij het echte verschil tussen digitaliseren en industrialiseren.
Een platform kan fantastisch zijn.
Een vaste groep architecten kan ontzettend efficiënt werken.
Een slim AI-systeem kan honderden ontwerpvragen beantwoorden.
Maar geen van die oplossingen voorkomt dat partijen langs elkaar heen blijven praten. Sterker nog. Soms organiseren we de chaos alleen duurder.
Daarom geloof ik steeds minder dat de oplossing begint bij software. De oplossing begint bij een uniforme taal. Een taal waarin vooraf duidelijk is welke informatie wanneer nodig is.
Welke prestaties moeten worden aangetoond.
Binnen welke bandbreedtes ontworpen mag worden.
Wanneer een afwijking acceptabel is.
En vooral: wie dat bewijst en wie dat beoordeelt.
Pas daarna wordt software interessant. Want software is uitstekend in het verwerken van afspraken. Software is verschrikkelijk in het vervangen ervan.
Misschien is dat wel de grootste denkfout die wij in de bouw nog maken. We proberen eerst systemen aan elkaar te koppelen. Terwijl we het eerst eens moeten worden over wat we eigenlijk bedoelen.
Ik zie dat niet alleen bij circulaire producten.
Ik zie het bij BIM.
Bij AI.
Bij duurzaamheid.
Bij vergunningen.
En straks ook bij de fabriek.
Iedereen digitaliseert. Maar iedereen spreekt nog net een iets ander dialect.
En dan ontstaat een opmerkelijke situatie.
Producenten bouwen een eigen platform.
Softwareleveranciers bouwen een eigen platform.
Opdrachtgevers bouwen een eigen platform.
Adviseurs bouwen een eigen platform.
Na vijf jaar constateren we trots dat niemand meer gegevens hoeft over te typen. Alleen begrijpt nog steeds niemand elkaars informatie.
Dat is geen industrialisatie.
Dat is een verzameling digitale eilanden, verbonden met hele dure bruggen.
Mijn gesprek met Bas maakte mij daarom optimistisch.
Niet omdat we alle antwoorden al hebben.
Maar omdat we eindelijk de juiste vraag lijken te stellen.
Niet: welk platform gaan we bouwen?
Maar: welke uniforme taal zorgt ervoor dat ieder platform straks met elkaar kan samenwerken?
Volgens mij is dát de echte innovatie.
Niet nóg een systeem.
Maar een sector die eindelijk besluit dezelfde taal te spreken.
Fileermoment
Misschien is dit wel de ongemakkelijkste conclusie van allemaal.
Iedereen zegt vóór samenwerking te zijn. Totdat samenwerken betekent dat je eigen definities, je eigen werkwijze of zelfs een klein stukje van je concurrentievoordeel moet loslaten.
Misschien is de grootste belemmering voor industrialisatie daarom niet technisch.
Misschien zijn wij dat zelf.
